taalkundekwis3

Dit is de derde taalkundekerstkwis. Hij bestaat uit tien meerkeuzevragen. Er is steeds één juist antwoord.

Aan het einde van de kwis worden de juiste antwoorden gegeven.

Klik op ‘Doorgaan’ om te beginnen.

Doorgaan

#1. Welke zin bevat zowel een naamwoordelijke als een werkwoordelijke bepaling van gesteldheid?

‘Verward’ is een naamwoordelijke bepaling van gesteldheid: een naamwoordelijk bijgezegde zonder koppelwerkwoord. ‘Stampend’ is een werkwoordelijke bepaling van gesteldheid: die hebben de vorm van een (voltooid of onvoltooid) deelwoord.
In de zin ‘verward stampend’ is ‘verward’ een bijwoordelijke bepaling bij ‘stampend’ en geen bepaling bij het zinsonderwerp.
In de zin ‘Ze heeft twee blije, miauwende kittens’ kun je ‘blije’ als naamwoordelijke en ‘miauwende’ als werkwoordelijke bepaling bij ‘kittens’ opvatten, maar omdat ze in dezelfde zelfstandignaamwoordgroep staan als ‘kittens’, noemen we ze geen bepalingen van gesteldheid, maar bijvoeglijke bepalingen.

Doorgaan

#2. "Ik ken geen andere stad waar je zo lang op het terras kunt zitten." Wat is 'waar' in de voorgaande zin?

‘Waar’ is in deze zin een betrekkelijk bijwoord: het is betrekkelijk omdat het in de bijvoeglijke bijzin de plaats inneemt van iets waar die bijzin informatie over geeft, maar het is geen voornaamwoord, omdat het geen naamwoordgroep vervangt. Zou je het door een volledige referentiële woordgroep vervangen, dan zou dat een voorzetselgroep zijn (‘in een stad’) en dat soort vervangingswoorden noemen we bijwoorden. Een logischer naam, die je in de wetenschappelijke taalkunde weleens tegenkomt, zou ‘voorvoorzetsels’ zijn (‘proprepositions’ in de Engelstalige literatuur).

Doorgaan

#3. Hoeveel gezegdes bevat de volgende zin? "Ik had haar kunnen zien optreden."

Het zijn er twee.

Het gezegde van de hoofdzin is opgebouwd rond het hoofdwerkwoord zien, met als onderwerp ‘ik’ en als lijdend voorwerp de beknopte bijzin ‘haar optreden’. Het gezegde is aangevuld met de hulpwerkwoorden ‘hebben’ en ‘kunnen’.

Het gezegde van de beknopte bijzin is ‘optreden’, met ‘haar’ als onderwerp. Onderwerpen van beknopte bijzinnen zien eruit als voorwerpen (dus ‘haar’ in plaats van ‘zij’). Er zijn verschillende vaktermen voor dat verschijnsel in omloop: Accusativus cum Infinitivo (AcI), Infinivitus cum Accusativo (IcA) en Exceptional Case Marking (ECM).

Doorgaan

#4. Welke ontleedterm heb je nodig om het verschil in welgevormdheid tussen de volgende zinnen te verklaren? 1. Ik wil dikke vla. 2. *Ik wil dikke boom.

Beide zinnen zijn gelijk opgebouwd, maar zin 1 is welgevormd en zin 2 niet, zoals het sterretje (*) aangeeft. Dat verschil zit hem in de verschillende woordsoort van de twee zelfstandige naamwoorden: het niet-telbare zelfstandige naamwoord ‘vla’ kan in het enkelvoud zonder determineerder (bijvoorbeeld een lidwoord) een zinsdeel vormen, terwijl het telbare zelfstandige naamwoord ‘boom’ dat niet kan.

Als illustratie eerst een paar onwelgevormde zinnen met telbare zelfstandige naamwoorden, met tussen haakjes een bewijs dat het relevante zelfstandige naamwoord telbaar is:
*Ik zie boom. (twee bomen)
*Ze roept kind. (vier kinderen)
*Zet nu beker maar op de tafel. (drie bekers)

En nu een paar welgevormde zinnen met niet-telbare zelfstandige naamwoorden, met tussen haakjes een bewijs voor het niet-telbare karakter van die zelfstandige naamwoorden:
Ik eet vla. (*acht vlaen)
Hij begrijpt nervositeit. (*twaalf nervositeiten)
Druk nu stro tussen de tralies door. (*veel stroën)

Doorgaan

#5. Met welke zin kun je beargumenteren dat 'hen' in de volgende zin volgens de algemene taaladviezen te verkiezen is boven 'hun'? "De scheidsrechter verzocht hun/hen het veld te verlaten."

Volgens de vigerende adviezen wordt ‘hun’ gebruikt voor het (voorzetselloze) meewerkend voorwerp en ‘hen’ onder andere voor het lijdend voorwerp.

De vraag is dan of ‘hun/hen’ in de genoemde zin een meewerkend, dan wel een lijdend voorwerp is. Voor beide ontledingen is wel wat te zeggen.

Als ‘hun/hen’ een meewerkend voorwerp zou zijn, zou je verwachten dat het bij ‘verzoeken’ net als bij ‘vragen’ ook met ‘aan’ zou voorkomen. Als iemand dat vreemd vindt, zoals het sterretje (*) aangeeft, is dat een reden om het betreffende zinsdeel niet als meewerkend voorwerp te benoemen.

Doorgaan

#6. "De agent sprak met de vrouw wier portemonnee was gestolen." Wat is in 'wier' in deze zin NIET?

‘Wier’ is hier een bezittelijk voornaamwoord en het wordt tegelijk gebruikt om in een bijvoeglijke (betrekkelijke) bijzin te verwijzen naar het antecedent (‘vrouw’) in de hoofdzin. Dat laatste is een typische betrekkelijke functie. ‘Wier’ wordt in deze zin niet vragend gebruikt.

Doorgaan

#7. "Het is niet de bedoeling dat jullie hier je eigen boterhammen gaan opeten." Wat is de functie van de bijzin in de hoofdzin?

Dit is in wezen een eenvoudige vraag, maar de lengte van de zin maakt het mogelijk lastig om de opbouw ervan te doorzien. ‘Dat jullie hier je eigen boterhammen gaan opeten’ is het onderwerp bij het naamwoordelijk gezegde ‘(niet) de bedoeling zijn’. ‘Het’ is een zogenaamd voorlopig onderwerp, een zinsdeel dat vaak aan het begin van de zin wordt geplaatst als het echte zinsonderwerp een bijzin is.

Doorgaan

#8. In welke van de volgende zinnen staat een ondervindend voorwerp?

Het ondervindend voorwerp is een weglaatbaar zinsdeel met een duidelijke referent. Dat is een persoon die ondervindt (of een mening heeft over) wat er in de zin wordt uitgedrukt. Het ondervindend voorwerp is een van de oude datiefobjecten, die in vereenvoudigde schoolgrammatica’s vaak onder de koepelterm ‘meewerkend voorwerp’ worden geschaard.

Doorgaan

#9. "Ze ging hartstikke dood van dat spul." Wat is de woordsoort van 'ging' in deze zin?

Er zijn veel meer koppelwerkwoorden dan de negen uit het standaardrijtje. ‘Gaan’ is er eentje van: het wordt in allerlei combinaties gebruikt met dezelfde betekenis als ‘worden’ (ontwikkeling).

Een alternatieve ontleding zou zijn dat ‘doodgaan’ een scheidbaar samengesteld zelfstandig werkwoord zou zijn. Dat past alleen niet bij het gebruik van het modificerende ‘helemaal. Immers, je kunt ook niet goed ‘Ze stierf helemaal’ zeggen.

Doorgaan

#10. "Houdt u niet van de domme!" Wat is de woordsoort van 'u' in deze zin?

Dat dit een wederkerend voornaamwoord is, kun je zien aan de infinitiefvorm ‘zich van de domme houden’. ‘Zich’ komt alleen als wederkerend voornaamwoord voor. De betekenisloosheid ervan en de onmogelijkheid om het door andere voornaamwoorden te vervangen (‘*Houdt hem niet van de domme!’) laten ook zien dat we hier met een wederkerend ‘u’ te maken hebben.

Afsluiten

Uitslag

Goed gedaan, jou kun je wat ontleden betreft niets meer wijs maken!

Helaas … je hebt de cesuur van 70 procent niet gehaald. Natuurlijk is het maar een spelletje, dus maak je er niet al te druk over. Opnieuw proberen kan natuurlijk altijd!

De kwissen van de vorige jaren zijn ook nog beschikbaar. Ze staan hier:

kwis 1 (2020)

kwis 2 (2021)