Waarom schrijven mensen <indentiteit>, <indentiek> enzovoort met een <n> in de eerste lettergreep? Die vraag stelt zich Ton den Boon in de Trouw van 28 maart. Hij komt er niet uit en dat komt mede doordat hij een opvallende denkfout maakt.

Den Boon noemt de schrijfwijze met <inde-> namelijk een “spelfout” en een “misspelling”. En dat is het met grote waarschijnlijkheid niet. Mensen die <indentiteit> schrijven, zeggen hoogstwaarschijnlijk  [ɪndɛntitejt], dus met een [n] in de eerste lettergreep. De gestandaardiseerde klank-tekenkoppeling leidt dan tot de schrijfwijze <indentiteit>, met het teken <n> erin. Daar zit geen spelfout in. Verder verbaast Den Boon er zich over dat de schrijfwijze met een <n> standhoudt, terwijl de woorden met [idɛn-] (zonder [n]) aan het begin al zeker sinds de 19e eeuw ingeburgerd zijn. Dat zijn ze natuurlijk ook, maar wat Den Boon vergeet: dat zijn de concurrerende varianten met [ɪndɛn-] eveneens. Er is geen goede reden om aan te nemen dat die ooit uit de taalgemeenschap weg zijn geweest. Wie nu [ɪndɛntitejt] zegt (en <indentiteit> schrijft), die heeft die vorm vermoedelijk simpelweg als kind in z’n omgeving gehoord en zich hem vervolgens eigen gemaakt, zoals alle taalverwerving verloopt. Dat die vorm niet tot het genormeerde Standaardnederlands hoort, is voor een taallerend kind irrelevant en niet elke volwassene heeft de wil of het vermogen om z’n moedertaal van vormen te ontdoen die buiten de norm vallen.

Een heel andere vraag is hoe de onderhavige leenwoorden ten tijde van de ontlening aan Romaanse talen de klank [n] hebben opgedaan. Daar is wel wat over bekend. Als eerste is het belangrijk om te weten dat alle varianten van het Nederlands die – meest uit het Frans geleende – woorden hebben “verbasterd”, of – om het iets wetenschappelijker te zeggen – ze aan het fonologische systeem van de eigen taal hebben aangepast. Zo is de nasale [ã] van het Frans overal vervangen door de klankreeks [ɛn] (zoals in het voegwoord dat we als <en> schrijven). Verder is belangrijk te weten dat het in de volkstalen van Nederland in de afgelopen eeuwen tamelijk gewoon was om in leenwoorden onmiddelijk voor een plofklank een onbeklemtoonde ongedekte (“lange”) klinker te vervangen door een gedekte (“korte”) klinker gevolgd door een sonorante (“zingbare”) medeklinker. De volgende woordparen circuleren in het Nederlands (of hebben dat gedaan) en kunnen als voorbeelden van zulke klankvervanging dienen:

  • pedaal / pendaal
  • papier / pampier
  • student / sterdent


Soms is de vorm met de klankvervanging de Nederlandse standaardvorm geworden. Een voorbeeld is kombuis, een ontlening aan het Nederduits, waar kabus werd gebruikt. Een ander voorbeeld is kamperfoelie, dat in het verleden een nevenvorm caprifolie had en een aangepaste ontlening vormt van het Latijnse caprifolium.

Taalkundigen zoeken al lang naar een verklaring voor de bovengenoemde fonologische aanpassing. Het oudste stuk dat ik erover ken is het artikel Franse woorden in het Nederlands uit 1906 van J.J. Salverda de Grave. De verklaring heeft er vermoedelijk iets mee te maken dat onbeklemtoonde ongedekte klinkers niet goed in het Nederlandse klanksysteem passen. Ze kunnen dan worden vervangen door een gedekte klinker, maar die wil in het Nederlands nog een medeklinker achter zich hebben die de lettergreep afsluit. Sonorante medeklinkers lijken erg op klinkers en kunnen relatief makkelijk in een lettergreep sluipen en aan die wens van de gedekte klinker voldoen.

Al met al: de schrijfwijze <inden-> is geen een spelfout, de ermee corresponderende uitspraak [ɪndɛn-] maakt al vele generaties lang deel uit van het Nederlands en het ontstaan van die uitspraak volgt een patroon waar taalkundigen in elk geval een aanzet voor een verklaring voor hebben.